Roestvast staal heet roestvast, maar in chloride-rijke omgevingen ontstaat juist een sluipende vorm van corrosie die het materiaal van binnenuit aanvreet. Putcorrosie RVS toont zich aan het oppervlak vaak als een onschuldige speldenprik, terwijl er onder de bovenlaag al een holte zit die het materiaal verzwakt. Lekkage, claims en ongeplande stilstand volgen zelden uit een productiefout. Ze volgen uit een keuze in de tekeningfase die te weinig oog had voor chloride, temperatuur en geometrie.

Putcorrosie is één van de vormen van corrosie die bij verschillende RVS-soorten verschillend uitpakken. Dit artikel zet uiteen hoe het mechanisme werkt, in welke omgevingen het toeslaat, en hoe je het via materiaalkeuze (304 versus 316L versus duplex), ontwerp en oppervlaktebehandeling buiten de deur houdt. Je krijgt ook de kwantitatieve maatstaven mee (PREn en CPT) die je nodig hebt om een specificatie hard te maken. Tot slot lees je waar je in de installatie moet kijken om putcorrosie vroeg te herkennen, en wat je beslist niet moet doen wanneer je het aantreft.

Wat putcorrosie in roestvast staal precies is

Putcorrosie is een lokale corrosievorm waarbij kleine, diepe putjes door de passieve laag van roestvast staal heen vreten. Anders dan uniforme corrosie verspreidt de aantasting zich niet gelijkmatig over het oppervlak. Ze concentreert zich op één punt en groeit daar in de diepte.

De Engelse term is *pitting corrosion*. In Nederlandse vakliteratuur kom je ook *putvormige corrosie* tegen, synoniemen voor hetzelfde mechanisme. Wat het gevaarlijk maakt: de schade onder het oppervlak is vrijwel altijd groter dan zichtbaar. Een speldenprik aan de buitenkant kan binnen het materiaal een paddenstoelvormige holte verbergen. Lekkage of structureel falen treedt dan op voordat een inspecteur de aantasting opmerkt.

Putcorrosie staat naast andere lokale vormen: spleetcorrosie, spanningscorrosie en intergranulaire corrosie. Ze delen het kenmerk dat ze op één plek toeslaan in plaats van het hele oppervlak aantasten.

Hoe de passieve chroomoxidelaag werkt

RVS dankt zijn corrosiebestendigheid aan een dunne laag chroomoxide die ontstaat zodra chroom (minimaal 10,5%) in contact komt met zuurstof. Die laag is enkele nanometers dik, transparant en zelfherstellend. Krast iemand er een groef in, dan vormt zich binnen seconden weer een nieuwe oxidelaag, mits voldoende zuurstof aanwezig is.

Stel je die laag voor als een onzichtbare beschermlaag die voortdurend wordt gerepareerd. Zo lang het reparatieproces sneller verloopt dan de aantasting, blijft het staal beschermd. Op plekken waar agressieve ionen de reparatie blokkeren, raakt het evenwicht uit balans. Daar begint putcorrosie.

Waarom chloride-ionen de doorbraak veroorzaken

Chloride-ionen (Cl⁻) zijn de belangrijkste bedreiging voor de passieve laag. Ze adsorberen op zwakke plekken (sulfide-insluitsels, krassen, lasspatten, micro-onregelmatigheden) en doorbreken daar lokaal de chroomoxide.

Zodra de laag op één punt open ligt, start een autocatalytisch proces. In de put daalt de pH, de chloride-concentratie loopt op, en de aantasting versnelt zichzelf. Andere agressieve ionen zoals bromide en jodide werken vergelijkbaar, maar in industriële omgevingen is chloride veruit de hoofdoorzaak. Chloriden komen mee met zeewater, procesvloeistoffen, reinigingsmiddelen en condenswater.

Hoe putcorrosie zich ontwikkelt van initiatie tot doorbraak

Het proces verloopt in twee fasen. Eerst is er een incubatietijd waarin de passieve laag plaatselijk verzwakt zonder dat er nog zichtbaar iets gebeurt. Daarna komt de propagatiefase: de put groeit, eerst langzaam en dan steeds sneller.

De incubatietijd kan uren duren, of jaren. Hoe agressiever het milieu, hoe korter. Temperatuur, chloride-concentratie en oppervlakteruwheid bepalen samen wanneer de doorbraak komt. Een gepolijst 316L-oppervlak in koel water kan jaren onaangetast blijven, terwijl hetzelfde staal in heet pekelwater binnen weken aantast.

In de propagatiefase werkt een ongunstige geometrie tegen je. De put is een kleine anode, het omliggende RVS-oppervlak is een grote kathode. Die verhouding concentreert het corrosiestromen in de put en versnelt de aantasting verder.

De autocatalytische reactie in de put

In de put zelf gebeurt chemisch het volgende. Metaalionen lossen op en hydrolyseren, waarbij H⁺-ionen vrijkomen. De pH daalt, en het milieu in de put wordt sterk zuur, soms tot pH 1 of lager. Om de ladingsbalans te herstellen migreren extra chloride-ionen de put in. Daardoor stijgt de chloride-concentratie in de put naar veelvouden van die in de bulkvloeistof.

Eenmaal op gang is dit proces vrijwel onmogelijk te stoppen. Herstel van de passieve laag in de put zelf is uitgesloten. Aan de buitenkant zie je een speldenprik met een roodbruine ijzeroxidevlek, een vrij betrouwbare visuele indicator.

Welke factoren de snelheid bepalen

De snelheid van propagatie hangt af van een aantal variabelen:

  • Temperatuur: hoger betekent sneller, met een exponentieel verband boven 50 °C in chloride-houdend medium.
  • Chloride-concentratie: een hogere ppm-waarde verkort de incubatietijd en versnelt de groei.
  • pH: een lager milieu versnelt de aantasting; alkalische milieus remmen putcorrosie meestal.
  • Oppervlakteruwheid: gepolijste oppervlakken bieden minder aanhechtingspunten voor chloride.
  • Stilstand: een stilstaand medium laat chloride lokaal ophopen; doorstroming verspreidt het en remt de initiatie.

Niet één enkele drempel bepaalt of putcorrosie optreedt. Het is altijd de combinatie. Een laag chloride-niveau bij hoge temperatuur kan even risicovol zijn als een hoog chloride-niveau bij kamertemperatuur.

Risico-omgevingen waar putcorrosie het vaakst toeslaat

Putcorrosie treedt zelden op in droge of zuurstofarme omgevingen. Wel in vochtige, chloride-rijke of warme milieus, en vooral in de combinaties daarvan. Voor een projectleider is de generieke term “agressief milieu” onbruikbaar; je moet weten welke sector welke specifieke risicofactor met zich meebrengt.

Petrochemie en procesindustrie

In petrochemische installaties komt chloride mee in procesvloeistoffen, condensaat, en cleaning-in-place met natriumhypochloriet. Sporen van chloride in stoom of koelmedium volstaan om op den duur putcorrosie te starten.

Hoge temperaturen in combinatie met chloride zijn een typische combinatie in warmtewisselaars, reactorvaten en distillatieapparatuur. In die setting is 304 vrijwel altijd ontoereikend. Ook 316L loopt bij hogere chloride-niveaus tegen de grens van wat het materiaal aankan.

Offshore, maritiem en kustgebied

Op offshore-platforms en in maritieme omgevingen krijgt RVS te maken met zoutspraybelasting, condensatie van zoute lucht onder isolatie, en in sommige gevallen permanente blootstelling aan zeewater. Voor kritische onderdelen is duplex 2205, super-duplex 2507 of 6Mo daar de standaard, geen luxe maar noodzaak.

Het kortstondig vastleggen van zoute druppels onder klemmen of in spleten is voldoende om putcorrosie te initiëren. Indirecte blootstelling (dampen, condens) kan al genoeg zijn. Volledige onderdompeling is niet vereist.

Tankbouw, zwembaden en koelwatersystemen

Zwembad-atmosferen zijn berucht. Het chlooramine-gas dat boven zwembadwater hangt, tast RVS-bevestigingen aan plafonds aan, een bekend faalmechanisme dat in het verleden tot ongelukken heeft geleid. Opslagtanks voor zoute oplossingen en koelwatersystemen met chloride-make-up vormen vergelijkbare risicobronnen.

Ook hier geldt: directe blootstelling aan zeewater is niet nodig. Damp, condens en cyclische bevochtiging zijn voldoende.

De juiste RVS-kwaliteit kiezen tegen putcorrosie

Materiaalkeuze is de meest effectieve preventie. Een duurdere kwaliteit specificeren in de tekeningfase is altijd goedkoper dan een vervanging in bedrijf. De keuze tussen 304, 316L, duplex en super-duplex draait om de combinatie van chloride-concentratie, temperatuur en gewenste bedrijfszekerheid.

Voor wie de basiskwaliteit als referentiepunt wil nemen: de eigenschappen van RVS 304 leggen vast wat de meest gebruikte austenitische kwaliteit aankan, en wat juist niet.

RVS 304 versus 316L in chloride-omgevingen

Het kernverschil tussen 304 en 316L is molybdeen. 316L bevat 2 tot 3% Mo, wat de putcorrosie-weerstand significant verhoogt. Molybdeen versterkt de passieve laag en maakt deze stabieler tegen chloride-aantasting.

In EN-staalnummers: 1.4301 (304), 1.4307 (304L), 1.4401 (316), 1.4404 (316L). Inkopers werken meestal met deze nummers; ze staan op alle relevante materiaalcertificaten.

316L is de standaard voor las-toepassingen. Het lagere koolstofgehalte (≤0,03%) voorkomt chroomcarbide-uitscheiding in de warmte-beïnvloede zone, waardoor de passieve laag rond de lasnaad intact blijft. Wie de molybdeen-bijdrage in detail wil begrijpen, vindt in de eigenschappen van RVS 316 de achtergrond bij de chemische samenstelling en de praktijktoepassingen.

De PREn-formule als kwantitatieve maatstaf

Het Pitting Resistance Equivalent Number (kortweg PREn) geeft een getal aan de putcorrosie-weerstand:

PREn = %Cr + 3,3 × %Mo + 16 × %N

Hoe hoger het getal, hoe beter de weerstand. Globale waarden:

  • 304: PREn ≈ 18
  • 316L: PREn ≈ 24-26
  • Duplex 2205 (1.4462): PREn ≈ 35
  • Super-duplex 2507 (1.4410): PREn ≈ 42
  • 6Mo (1.4547): PREn ≈ 45

PREn is een indicatie, geen garantie. De daadwerkelijke prestatie hangt ook af van microstructuur, oppervlakteafwerking, lasuitvoering en de aanwezigheid van insluitsels. Twee batches met dezelfde PREn kunnen in de praktijk verschillend reageren.

De CPT als praktische bovengrens

De Critical Pitting Temperature (CPT) is de laagste temperatuur waarbij putcorrosie initieert in een gestandaardiseerde test. ASTM G48 en ASTM G47-76 zijn de meest gebruikte methoden. Globale richtwaarden:

  • 304: CPT ≈ 10 °C
  • 316L: CPT ≈ 20 °C
  • Duplex 2205: CPT ≈ 35 °C
  • Super-duplex 2507: CPT ≈ 55 °C
  • 6Mo: CPT > 70 °C

Onder de CPT is putcorrosie onwaarschijnlijk, daarboven aannemelijk. De waarden hangen wel af van chloride-concentratie en pH in de test. Vergelijk daarom CPT-getallen alleen tussen tests die onder vergelijkbare condities zijn uitgevoerd. Een leverancier kan desgevraagd CPT-data per heat verstrekken; voor kritische specificaties is dat de moeite waard.

Wanneer 316L niet meer volstaat

Boven ongeveer 1000 ppm chloride in combinatie met temperaturen boven 60 °C is 316L niet meer aan te bevelen voor kritische onderdelen. De CPT komt te dichtbij de bedrijfstemperatuur en het risico op putcorrosie wordt onaanvaardbaar.

De upgrade-volgorde loopt dan:

  1. 316L (1.4404): basis voor matige chloride-belasting
  2. Duplex 2205 (1.4462): voor hogere chloride bij gematigde temperatuur
  3. Super-duplex 2507 (1.4410): voor hoge chloride én hoge temperatuur
  4. 6Mo (1.4547): voor zeewater en zeer agressieve milieus
  5. Titaan: voor extreme gevallen waar zelfs 6Mo tekortschiet

De meerprijs van duplex of 6Mo verdient zich vaak binnen één vervangingscyclus terug. Wie de tekening eenmaal getekend heeft en pas in bedrijf ontdekt dat de keuze niet houdt, betaalt vervanging plus stilstand plus mogelijke lekkage-schade.

Preventie via ontwerp en oppervlaktebehandeling

Zelfs het juiste materiaal corrodeert als het ontwerp stilstaand vocht, spleten of oppervlakteverontreiniging toelaat. Materiaalkeuze is de eerste verdedigingslinie. Ontwerp en oppervlaktebehandeling zijn de tweede en de derde.

Ontwerpregels die putcorrosie voorkomen

Een aantal vuistregels voor de tekenaar en werkvoorbereider:

  • Vermijd stilstaande vloeistof. Zorg voor afwatering op alle horizontale of licht hellende oppervlakken.
  • Vermijd spleten en overlappingen. Elke spleet trekt chloride aan en houdt het vast.
  • Vermijd horizontaal opwaarts gerichte oppervlakken waar zout en stof zich verzamelen.
  • Werk met doorlopende lasnaden in plaats van puntlassen of stikker-doorlassen. Onderbroken lassen creëren spleten en risicozones.
  • Schuif harde haakse hoeken weg ten gunste van afgeronde of afgeschuinde randen die geen vuil vasthouden.

Deze regels lijken klein maar bepalen of het materiaal jaren meegaat of binnen één seizoen lekt.

Lassen en de impact op de passieve laag

Lassen verstoort de passieve laag. Op de plek van de las en in de warmte-beïnvloede zone (HAZ) treden twee effecten op. Bij hoge temperatuur kunnen chroomcarbiden uitscheiden, waardoor lokaal te weinig chroom over is om de passieve laag in stand te houden. En de aanloopkleuren (die zwarte tot blauwpaarse heat tints rond de lasnaad) zijn een visuele indicator dat de oxidelaag aan die plek is verstoord en in een minder beschermende vorm is achtergebleven.

L-kwaliteiten zoals 304L en 316L hebben een verlaagd koolstofgehalte (≤0,03%), wat de kans op chroomcarbide-uitscheiding aanzienlijk verkleint, vooral bij dikkere materialen en meerdere lasdoorgangen.

Beitsen en passiveren na lassen

Beitsen en passiveren zijn geen optionele afwerkstappen. Voor RVS dat blootstaat aan corrosieve omgevingen horen ze standaard te zijn na elk laswerk.

Bij beitsen behandelt een mengsel van salpeterzuur en waterstoffluoride het oppervlak: de aanloopkleuren, de chroomverarmde laag en eventuele ingebedde verontreinigingen verdwijnen. Bij passiveren zorgt salpeterzuur of citroenzuur ervoor dat een gelijkmatige, dichte chroomoxidelaag actief opnieuw wordt opgebouwd.

Voor het bredere kader rond conservering en corrosiebescherming van staal zijn beitsen en passiveren de RVS-specifieke equivalent van wat coating en metallisering doen voor koolstofstaal: een actieve bescherming van het oppervlak voordat het in bedrijf gaat.

Waarom kruisbesmetting met C-staal funest is

Een onzichtbare bron van putcorrosie is kruisbesmetting in de werkplaats. Wanneer koolstofstaal en RVS door elkaar worden bewerkt, hechten ijzerdeeltjes (vijlsel, slijpstof, sporen op gereedschap) zich in het RVS-oppervlak. Die deeltjes gaan zelf roesten zodra ze met vocht in contact komen, en vanuit dat lokale roestpunt initieert vervolgens putcorrosie in het RVS eronder.

De preventie is geen materiaalkwestie maar een organisatiekwestie:

  • Gescheiden gereedschap voor RVS en C-staal.
  • Gescheiden werkruimtes of duidelijk afgebakende zones.
  • RVS-borstels en RVS-slijpschijven alleen voor RVS.
  • Geen slijpschijven met ijzerresten op RVS-werk.

Werkplaatsen die deze scheiding niet handhaven, leveren bijna gegarandeerd RVS-werk dat in bedrijf alsnog gaat corroderen.

RVS lassen met TIG-techniek, de warmte-beïnvloede zone is een kritisch punt voor putcorrosie

Putcorrosie herkennen en inspecteren in de praktijk

Vroegtijdige herkenning bepaalt of je preventief vervangt of curatief lek staat te dichten. Aan het oppervlak ziet putcorrosie er onschuldig uit: een speldenprik met een roodbruine vlek. Onder de oppervlakte zit vaak een holte die in doorsnede groter is dan in zicht.

Waar je in de installatie moet kijken

De typische plekken voor putcorrosie zijn voorspelbaar:

  • Opwaarts gerichte horizontale oppervlakken waar zout, stof en condens neerslaan.
  • Onder bevestigingsbeugels en klemmen, op plekken waar reiniging niet komt.
  • In de directe omgeving van lasnaden, vooral als die niet zijn gebeitst en gepassiveerd.
  • Op plekken met stilstaand condensaat of opgevangen vocht.
  • Onderzijdes van isolatie, waar chloride-houdend condenswater opgesloten kan zitten, bekend als CUI met chloride-input.

Een verstandige inspectiefrequentie hangt af van de risicoklasse. Kritische lijnen verdienen jaarlijkse aandacht. Minder kritische onderdelen kun je elke twee tot drie jaar visueel inlopen.

ASTM G48 en G47-76 als testmethoden

Voor kwantitatieve materiaaltests zijn ASTM G48 (ijzerchloride-test) en ASTM G47-76 standaardmethoden. Ze meten CPT of CCT (Critical Crevice Temperature) in een gestandaardiseerd milieu en geven een vergelijkbare basis voor materiaalkeuze.

De testresultaten zijn waardevol als vergelijkingsbasis, maar geen 1-op-1 voorspeller voor veldgedrag. Bedrijfscondities (chloride-niveau, temperatuur, stilstand, vervuiling) verschillen vrijwel altijd van de labomgeving. Beschouw CPT-data daarom als richtwaarde, niet als garantie.

Wat NIET te doen bij behandeling

Een veelgemaakte fout: roestomvormers gebruiken op RVS. Die producten zijn ontwikkeld voor koolstofstaal en kunnen op RVS de passieve laag verder beschadigen in plaats van herstellen. Gebruik ze nooit.

Bij oppervlakkige putten is lokaal stralen gevolgd door beitsen en passiveren soms voldoende. Diepe putten vragen om uitsnijden en vervangen van het aangetaste materiaal. Behandeling zonder onderzoek naar de oorzaak (chloride-bron, temperatuur, ontwerpfout) leidt vrijwel altijd tot herhaling. De put komt terug, soms binnen maanden.

De kostenimpact van putcorrosie onderschat je gemakkelijk

NACE schat de wereldwijde jaarlijkse kostenpost van putcorrosie op ongeveer 1 miljard dollar. Dat getal vat vervanging, stilstand en lekkage-incidenten samen voor procesindustrie, petrochemie en offshore.

Op projectniveau werkt het zo: een vervanging in bedrijf kost meestal een veelvoud van de meerprijs voor duplex of super-duplex in de tekeningfase. Een 316L-flens vervangen door 2205 in de specificatie kost een paar honderd euro extra. Diezelfde flens in bedrijf vervangen (inclusief afgesloten installatie, ontmantelen, monteren en testen) kost al snel het tien- of twintigvoudige.

De minder zichtbare kosten zijn vaak groter dan de directe vervangingsfactuur. Productiestilstand, claim-risico bij milieulekkages, audit-bevindingen, en reputatieschade tellen op. Preventie tegen putcorrosie is dus geen kostenpost. Het is een risico-allocatie die je ver vooraf in het project maakt, voordat de tekening de productie ingaat.

Hoe putcorrosie samenhangt met spleetcorrosie

Putcorrosie en spleetcorrosie zijn nauw verwant. Beide draaien om lokale doorbraak van de passieve laag door chloride-ophoping. Het verschil zit in de geometrie.

Putcorrosie initieert op een schijnbaar vrij oppervlak: er is geen spleet nodig, alleen een zwakke plek in de oxidelaag. Spleetcorrosie initieert in een geometrisch afgesloten ruimte: onder pakkingen, onder klemmen, in flensverbindingen, in draadverbindingen. In die spleten kan chloride zich ophopen en kan de zuurstof niet aanvullen, een ideale uitgangssituatie voor lokale aantasting.

In flensverbindingen, onder pakkingen en in de werkomgeving van bouten loopt het mechanisme nagenoeg vloeiend over in spleetcorrosie bij RVS, een verwante vorm die in de literatuur vrijwel altijd samen met putcorrosie wordt behandeld.

Goed nieuws voor de tekenaar: de preventie tegen putcorrosie dekt spleetcorrosie grotendeels mee af. Juiste materiaalkeuze (hogere PREn), ontwerp zonder spleten, lasvoeren met beitsen en passiveren: al die maatregelen werken voor beide mechanismen.

Veelgestelde vragen over putcorrosie in RVS

Wat is het verschil tussen putcorrosie en spleetcorrosie bij roestvast staal?

Putcorrosie initieert op een schijnbaar vrij oppervlak: chloride-ionen doorbreken de passieve laag op een zwakke plek, zonder dat er een geometrische afsluiting nodig is. Spleetcorrosie vereist juist een nauwe ruimte (onder een pakking, in een flensverbinding, onder een klem) waar zuurstof opraakt en chloride zich ophoopt. In de praktijk versterken beide mechanismen elkaar: een put die begint op een vrij oppervlak kan doorlopen in een spleet, en andersom.

Wanneer volstaat RVS 316L niet meer voor chloride-omgevingen?

316L heeft een PREn van circa 24-26 en een CPT rond 20 °C in gestandaardiseerde tests. Boven circa 1000 ppm chloride in combinatie met bedrijfstemperaturen boven 60 °C is het risico op putcorrosie onaanvaardbaar hoog. In die situatie stapt u over op duplex 2205 (PREn ≈ 35), super-duplex 2507 (PREn ≈ 42) of 6Mo (PREn ≈ 45), afhankelijk van chloride-concentratie en temperatuur.

Hoe snel ontwikkelt putcorrosie zich in roestvast staal?

De incubatietijd varieert van uren tot jaren, afhankelijk van chloride-concentratie, temperatuur, pH en oppervlakteafwerking. Een gepolijst 316L-oppervlak in koel water met lage chloride-belasting kan jarenlang standhouden. Diezelfde kwaliteit in heet pekelwater of een chloride-houdend stoomcondensaat kan binnen weken doorbreken. Zodra de propagatiefase begint, versnelt de aantasting door het autocatalytische karakter: de put houdt zichzelf in stand en versnelt.

Helpt beitsen en passiveren altijd om putcorrosie te voorkomen?

Ja, als het correct wordt uitgevoerd na elk laswerk. Beitsen verwijdert aanloopkleuren, chroomverarmde zones en ingebedde verontreinigingen. Passiveren bouwt daarna een gelijkmatige, dichte chroomoxidelaag op. Wordt beitsen of passiveren overgeslagen, dan blijft de passieve laag lokaal verstoord en vormt de laszone een initiatiepunt voor putcorrosie. De behandeling heeft alleen effect als het basismateriaal geschikt is; een 304 die voor de toepassing te weinig PREn heeft, corrodeert na passiveren alsnog.

Wat doe je als je putcorrosie aantreft in een bestaande RVS-installatie?

Gebruik nooit roestomvormers op RVS; die zijn bedoeld voor koolstofstaal en beschadigen de passieve laag verder. Bij oppervlakkige putten volstaat lokaal stralen gevolgd door beitsen en passiveren. Diepe putten vragen om uitsnijden en vervangen van het aangetaste materiaal. Vervolgens onderzoekt u de oorzaak: welke chloride-bron zit er in het systeem, op welke temperatuur werkt het onderdeel, en is er een ontwerpfout (een spleet, stilstaand vocht) die de initiatie bevorderd heeft. Zonder oorzaakanalyse keert de aantasting terug.

Kan putcorrosie voorkomen worden met een betere oppervlakteafwerking?

Een fijnere oppervlakteafwerking (lagere Ra-waarde) vermindert het aantal aanhechtingspunten voor chloride-ionen en verlengt daarmee de incubatietijd. Gepolijst RVS presteert beter dan geborsteld of gezandstraald. Het is echter geen vervanging voor de juiste materiaalkeuze: een 304 met spiegel-finish corrodeert in een agressief chloride-milieu alsnog eerder dan een ruw 316L-oppervlak. Oppervlakteafwerking is de derde verdedigingslinie, na materiaalkeuze en ontwerp.

Vooruitkijken om putcorrosie buiten de tekening te houden

Putcorrosie bij RVS is bijna altijd te voorkomen. Drie zaken moeten in de tekeningfase goed staan:

  1. De juiste kwaliteit (304, 316L, duplex of 6Mo) op basis van chloride-concentratie en temperatuur, met PREn en CPT als kwantitatieve maatstaf.
  2. Een ontwerp zonder spleten en zonder plekken waar vocht of zout zich verzamelt.
  3. Een productieproces waar lassen, beitsen en passiveren als standaard horen, en waar C-staal en RVS gescheiden worden bewerkt.

Wie deze drie op orde heeft, voorkomt vrijwel altijd putcorrosie in bedrijf. Wie ze laat liggen, betaalt later: in vervangingen, in stilstand, soms in claims. Tekening-feedback vóór productie is de meest praktische manier om materiaalfouten eruit te halen voordat ze in bedrijf zichtbaar worden.

Voor wie zich verder wil verdiepen in het bredere palet van corrosievormen bij roestvast staal: putcorrosie is één van de vormen waar projectleiders rekening mee moeten houden, naast spleet-, spanning- en intergranulaire corrosie. Een goed startpunt voor de bredere context is een overzicht van de verschillende RVS-soorten en hun corrosiegedrag. De mechanismen overlappen vaak en de preventiemaatregelen versterken elkaar.

Loopt er een project waarbij de RVS-keuze onzeker is, bijvoorbeeld chloride boven de drempel, temperatuur tegen de CPT-grens of een geometrie met spleetrisico? Stuur de tekening en specificatie op voor een kosteloze beoordeling van materiaalkeuze en oppervlaktebehandeling. Een tweede paar ogen voor de productie ingaat kost niets en haalt regelmatig fouten eruit die in bedrijf het verschil maken tussen een installatie die jaren meegaat en een installatie die binnen één seizoen lekt.

Laatste nieuwsberichten

Laatste nieuwsberichten

Putcorrosie RVS voorkomen via materiaalkeuze en ontwerp

Putcorrosie RVS voorkomen via materiaalkeuze en ontwerp

Voorkom putcorrosie in RVS: leer hoe je via 304, 316L of duplex, PREn en CPT de juiste keuze maakt in de tekeningfase. Praktische gids voor projectleiders.
Lees dit bericht
Lassymbolen betekenis: NEN-EN-ISO 2553 uitleg per symbool

Lassymbolen betekenis: NEN-EN-ISO 2553 uitleg per symbool

Lassymbolen betekenis volgens NEN-EN-ISO 2553 ontleed Lassymbolen als taal tussen tekenkamer en werkvloer Je rolt...
Lees dit bericht
3.1 certificaat staal — wat erop staat, wanneer verplicht en hoe je het beoordeelt

3.1 certificaat staal — wat erop staat, wanneer verplicht en hoe je het beoordeelt

3.1 certificaat staal en wanneer het verplicht is Een 3.1 certificaat staal is een inspectiecertificaat...
Lees dit bericht