Materiaalcertificaat staal volgens EN 10204 in de praktijk
Op de inkooporder staat één regel die later een hoop kan kosten of besparen: welk materiaalcertificaat staal je eist. Vraag je een 2.1, een 2.2, een 3.1 of een 3.2 op? Het lijkt een administratief detail, maar het bepaalt of de plaat die jouw werkvoorbereider straks in handen krijgt aansluit op de eisen van de eindklant, de regelgever en, als het ooit zover komt, de schadeverzekeraar.
EN 10204 is het overkoepelende normkader voor al deze keuringsdocumenten in staal en metaal. De norm onderscheidt vier types en legt vast wie ze mag ondertekenen, niet wat erop getest moet worden. Daar zit de verwarring: iedereen weet dat “3.1” beter klinkt dan “2.2”, weinig mensen weten precies waarom, en wanneer 2.2 prima volstaat of juist 3.2 verplicht is.
In dit artikel staat wat een materiaalcertificaat staal precies is, welke vier types EN 10204 onderscheidt, wanneer welk type vereist is, hoe je een certificaateis correct specificeert op een inkooporder, hoe je een ontvangen certificaat verifieert vóór productie begint, en wat er met de certificering gebeurt zodra je het materiaal gaat snijden, walsen, zetten en lassen.
Wat een materiaalcertificaat voor staal is
Een materiaalcertificaat is een door de producent (en bij zwaardere types ook door een onafhankelijke inspecteur) ondertekend document dat de eigenschappen van geleverd staal vastlegt. Concreet staan er chemische samenstelling, mechanische eigenschappen, batch- of chargenummer, productnorm en de norm waaronder het certificaat is uitgegeven op.
EN 10204 zegt niet wát er getest moet worden. Dat doet de productnorm, bijvoorbeeld NEN-EN 10025-2 voor warmgewalst constructiestaal, NEN-EN 10088 voor roestvast staal of NEN-EN 10210 voor warmgewalste holle profielen. EN 10204 schrijft alleen voor hoe het keuringsdocument er moet uitzien en wie het mag ondertekenen. Dat onderscheid is belangrijk: je vraagt een 3.1 op volgens EN 10204, en je eist daarbij ook een specifieke kwaliteit volgens de productnorm.
Verwar het materiaalcertificaat niet met andere documenten in het kwaliteitsdossier. Een lascertificaat dekt de bekwaamheid van de lasser en de kwalificatie van het lasproces, niet de eigenschappen van het basismateriaal. Een ISO 9001-verklaring zegt iets over het kwaliteitsmanagementsysteem van de producent, niet over deze specifieke charge staal. Voor een bredere uitleg waarover precies de bekwaamheid van een lasser dekt, helpt het achtergrondartikel over wanneer een lascertificaat voor staalconstructies verplicht is.
De juridische en contractuele waarde van het materiaalcertificaat staal komt pas écht naar voren als er iets misgaat. Bij een schadeclaim, een garantieprocedure of een inspectie door een regelgevende instantie is dit document het enige bewijs dat de herkomst en eigenschappen van het materiaal traceerbaar maakt. Zonder sluitend certificaat staat de leverancier of verwerker met lege handen, ongeacht hoe goed het werk verder is uitgevoerd.
EN 10204 als normkader voor keuringsdocumenten
EN 10204 is de Europese norm die “soorten keuringsdocumenten voor metaalproducten” vastlegt. De norm geldt voor alle metaalproducten (van staalplaat tot getrokken buis, van smeedstukken tot RVS-blokken) en is daarmee de gemeenschappelijke taal waarin afnemer en producent over certificering communiceren.
De huidige uitgave is EN 10204:2004. Die versie heeft het oude type 2.3 geschrapt en heeft de eerdere subtypes 3.1.A, 3.1.B, 3.1.C en 3.2 samengevoegd tot de huidige 3.1 en 3.2. Wie nog een oud certificaat in handen krijgt met de aanduiding 3.1.B, weet nu dat dat onder de huidige norm gewoon een 3.1 is. Die historische lijn benoemen lijkt detailwerk, maar laat zien dat de producent of leverancier de norm écht beheerst.
Het centrale onderscheid loopt door alle vier types heen: niet-nader voorgeschreven keuringen (de 2.x-types) tegenover nader voorgeschreven keuringen (de 3.x-types). Bij 2.x test de producent representatief materiaal uit dezelfde productiestroom. Bij 3.x worden de testen uitgevoerd op de daadwerkelijk geleverde producten zelf. Dat onderscheid bepaalt of het certificaat in jouw hand bewijst dat juist dít stuk staal aan de eisen voldoet, of dat het bewijst dat soortgelijk materiaal aan de eisen voldoet.
De vier types verschillen op drie assen. Bevat het document werkelijke testresultaten of alleen een verklaring van overeenstemming? Wie voert de keuring uit: de producent zelf, hiërarchisch onafhankelijk personeel binnen de producent, of een externe inspecteur? En heeft de keuring betrekking op het lot dat geleverd wordt, of op representatief materiaal uit een vergelijkbare productie?
Vergelijkingstabel van de vier types
| Type | Naam volgens EN 10204 | Testresultaten | Uitgevoerd door | Betrekking op |
|---|---|---|---|---|
| 2.1 | Verklaring van overeenstemming met de bestelling | Nee | Producent | Bestelling |
| 2.2 | Keuringsrapport | Ja | Producent | Representatief materiaal |
| 3.1 | Keuringscertificaat 3.1 | Ja | Hiërarchisch onafhankelijke vertegenwoordiger van de producent | Geleverd lot |
| 3.2 | Keuringscertificaat 3.2 | Ja | Hiërarchisch onafhankelijke vertegenwoordiger producent + externe inspecteur | Geleverd lot |
Dit overzicht is het startpunt. De volgende secties werken elk type apart uit en beschrijven wanneer welk type in de praktijk wordt geëist.
Type 2.1, verklaring van overeenstemming
Een 2.1 is de eenvoudigste vorm: de producent verklaart dat het geleverde staal voldoet aan de bestelspecificatie, zonder dat er testresultaten op het document staan. Geen chemische analyses, geen mechanische waarden, alleen een verklaring.
De ondertekening gebeurt door een vertegenwoordiger van de producent, geen onafhankelijke instantie, geen extern bureau. Het document zegt: “wij hebben geleverd wat u besteld heeft.” Voor reguliere bulkproducten waarvoor de afnemer geen specifieke testresultaten nodig heeft kan dat volstaan.
In de praktijk zie je 2.1 nog bij standaard staalproducten voor niet-kritische toepassingen of als aanvulling op een eigen ingangscontrole. Voor alles wat onder een dragende, drukvoerende of veiligheidskritische functie valt, schiet 2.1 tekort. Drukapparatuur onder de PED-richtlijn, dragende constructie-onderdelen, offshore-installaties en projecten met een uitgewerkte afnemerspecificatie eisen vrijwel altijd minimaal een 2.2 of zwaarder, en in de meeste industriële sectoren een 3.1.
Type 2.2, keuringsrapport op basis van representatief materiaal
Een 2.2 bevat wél werkelijke testresultaten, maar de keuring is uitgevoerd door de producent en betreft representatief materiaal uit dezelfde productiestroom, niet noodzakelijk het lot dat in jouw vrachtwagen ligt. De testdata is reëel; de koppeling tussen testresultaat en geleverde partij is dat alleen op representatief niveau.
Voor veel reguliere staaltoepassingen volstaat 2.2 prima. Denk aan standaard machinebouw, niet-kritisch plaatwerk- en zetwerk, frames en ondergeschikte constructies waarbij de afnemer wel zekerheid wil over staalkwaliteit, maar geen volledige traceerbaarheid per lot vereist. De afnemer accepteert in dat geval dat het geleverde materiaal uit dezelfde productiebatch komt als het geteste, zonder dat per pallet of per plaat individueel is gemeten.
Praktisch en kostenefficiënt is 2.2 vooral als er geen externe verplichting in het spel is: geen EN 1090-fabricage van dragende elementen, geen PED, geen offshore-keten, geen afnemerspecificatie die expliciet 3.1 voorschrijft. Wanneer 2.2 acceptabel is en wanneer niet komt verderop in de beslisboom terug.
Type 3.1, keuringscertificaat door onafhankelijke producent-instantie
Een 3.1 is het keuringscertificaat met testresultaten op het geleverde lot, ondertekend door hiërarchisch onafhankelijk personeel van de producent. In de praktijk betekent dat: de afdeling kwaliteitscontrole van het staalbedrijf (organisatorisch los van productie) tekent voor de juistheid van het document. Geen externe partij, wel een interne functiescheiding.
Op een 3.1 staat minimaal: chemische samenstelling per legeringselement (C, Mn, Si, P, S en de relevante legeringsmetalen), mechanische eigenschappen zoals rekgrens (Re of Rp0,2), treksterkte (Rm), rekpercentage (A) en bij toepassing ook de kerfslagwaarde (KV). Daarnaast batch- of chargenummer, een stempelmarkering die op het materiaal terugkomt, de productnorm met kwaliteit en de uitgifte-aanduiding EN 10204:2004.
De praktijk laat zien dat de beschikbaarheid van 3.1 verschilt per materiaalsoort. Voor RVS (denk aan AISI 304 of AISI 316) wordt 3.1 vrijwel standaard meegeleverd. Voor standaard constructiestaal als S235JR (oude aanduiding ST37) of S355J2 (oude aanduiding ST52) ligt het lastiger. 3.1 is verkrijgbaar, maar moet expliciet bij bestelling worden opgevraagd. Soms moet de leverancier uit een specifieke smelt putten of een aparte batch reserveren, wat de levertijd verlengt. Een ervaren leverancier denkt hier vooraf in mee in plaats van het probleem aan de afnemer te laten.
De koppeling met EN 1090 maakt 3.1 voor constructiebouw vrijwel onvermijdelijk: dragende constructie-onderdelen die onder EN 1090 worden gefabriceerd vereisen standaard 3.1-gecertificeerd materiaal. Voor de meeste industriële sectoren (machinebouw, tankbouw, drukvaten in lagere PED-categorie, niet-kritische petrochemie) is 3.1 het werkende minimum.
Wat een 3.1 certificaat onderscheidt van een 2.2
Het kernverschil tussen 2.2 en 3.1 is in de praktijk de meest gestelde vraag, en het komt neer op twee dingen. Bij een 3.1 betreft de keuring het daadwerkelijk geleverde lot. Bij 2.2 betreft de keuring representatief materiaal uit dezelfde productiestroom. En bij 3.1 wordt het document ondertekend door hiërarchisch onafhankelijk personeel; bij 2.2 door de producent zelf.
Een voorbeeld maakt het tastbaar. Voor een opslagtank in een chemische installatie wil de afnemer kunnen aantonen dat juist die plaat in zijn tank getest is en aan de eisen voldoet, niet dat een plaat uit dezelfde week dat deed. Dat kan alleen een 3.1 leveren. Voor een standaard frame in een productiehal volstaat een 2.2 doorgaans.
Type 3.2, keuringscertificaat door externe inspectie
Een 3.2 is het zwaarste keuringsdocument dat EN 10204 kent. Het bevat testresultaten op het geleverde lot, gecombineerd met de eis dat de keuring is uitgevoerd of geverifieerd door een externe, onafhankelijke inspecteur, los van de producent. Het document draagt daardoor twee handtekeningen: die van de hiërarchisch onafhankelijke vertegenwoordiger van de producent, en die van de externe inspecteur of zijn bureau.
In de Nederlandse en internationale praktijk worden 3.2-keuringen uitgevoerd door enkele bekende inspectiebureaus. Lloyd’s Register, DNV, Bureau Veritas, ABS en TÜV zijn de namen die op een 3.2 als ondertekenaar terugkomen. Welke partij het inspecteert hangt af van de sector en de afnemerspecificatie: offshore-projecten neigen naar DNV en Lloyd’s, drukvatenbouw in continentaal Europa vaak naar TÜV of Bureau Veritas.
Typische toepassingen waar 3.2 standaard vereist is: offshore-engineering, drukvaten onder de zwaardere PED-categorieën (III en IV), scheepsbouw onder klasseregels, kritische pressure vessel-toepassingen in petrochemie en alle constructies waar de eigenaar of regelgever externe verificatie eist. 3.2 wordt zelden uit eigen beweging door de producent geleverd; het komt op contractbasis vanuit de eindklant of vanuit de regelgevende autoriteit.
Wanneer welk type materiaalcertificaat staal vereist is
In de meeste praktijksituaties zoekt de inkoper of werkvoorbereider naar één concreet antwoord: welk type moet ik voor dit project eisen? Een werkbare beslisboom helpt meer dan een algemene tabel.
Voor reguliere machinebouw (frames, behuizingen, niet-dragende constructies) is 2.2 doorgaans voldoende, tenzij de eindklant expliciet 3.1 voorschrijft. Voor constructiebouw onder EN 1090, of die nu valt onder uitvoeringsklasse EXC2, EXC3 of EXC4, is 3.1 het uitgangspunt voor alle dragende elementen. Tankbouw werkt standaard met 3.1 voor reguliere opslagtanks, en met 3.2 voor tanks onder strengere regelgeving of in zware sectoren. Drukvatenbouw onder de PED-richtlijn vraagt 3.1 of 3.2 afhankelijk van de drukvat-categorie en de risicoklasse: voor categorie I en II vaak 3.1, voor III en IV in praktijk 3.2.
Offshore-engineering hanteert vrijwel altijd 3.2 voor structureel staal en kritische componenten. Petrochemie volgt vaak eigenaarspecificaties bovenop EN 10204: grote eindklanten als Shell, BP en Dow hebben eigen materiaalspecificaties die per applicatie 3.1 of 3.2 voorschrijven, soms gecombineerd met aanvullende tests buiten EN 10204 om.
De criteria om in een nieuwe situatie het juiste type te kiezen: wettelijke verplichting (PED, EN 1090, klasseregels), contractuele eis van de opdrachtgever, kritisch karakter van het onderdeel (dragend, drukvoerend, veiligheidsfunctie), juridische blootstelling bij faalkosten en de eigen certificeringsstrategie van de verwerker. Voor staalconstructies op maat onder EN 1090 wordt standaard 3.1 toegepast; voor bijzondere projecten in offshore of zware drukvaten schakelt Ferna met externe inspectie naar 3.2.
Hoe je een certificaateis correct specificeert op een inkooporder
De meeste artikelen over EN 10204 zeggen “geef bij bestelling aan welk type je wilt.” Vrijwel niemand laat zien hoe. Toch maakt een correcte formulering juridisch en technisch het verschil tussen “leverbaar” en “betwistbaar”.
Een werkbare voorbeeldformulering die je letterlijk kunt overnemen ziet er zo uit:
Materiaal: staalplaat conform NEN-EN 10025-2 in kwaliteit S355J2+N, dikte 12 mm. Materiaalcertificaat: type 3.1 conform NEN-EN 10204:2004. Stempelmarkering met chargenummer op het materiaal vereist. Certificaat digitaal aanleveren vóór levering.
Vier elementen horen altijd op de specificatie. Eén: de productnorm en kwaliteit (welke staalsoort, in welke uitvoering). Twee: het certificaattype volgens EN 10204, met de uitgavejaar-aanduiding 2004. Drie: de eis tot stempelmarkering of een andere unieke identificatie op het materiaal, zodat je later de batch-koppeling kunt maken. Vier: het leveringsmoment van het certificaat, vóór of bij levering, niet op aanvraag achteraf.
Veelgemaakte fouten in de specificatie zijn herkenbaar. “Materiaal volgens EN 10204” zonder type genoemd, waarbij de leverancier dan 2.1 mag sturen en daar juridisch mee wegkomen. “Certificaat 3.1 of beter”, een vage formulering die de leverancier ruimte geeft om naar beneden te interpreteren. “Certificaat op aanvraag”, achteraf opvragen werkt zelden, want producenten archiveren batches niet onbeperkt en chargenummers kunnen na verloop van tijd niet meer terug te koppelen zijn aan een actueel document.

Hoe je een materiaalcertificaat verifieert voor productie begint
Op het moment dat de plaat of het profiel in de werkplaats aankomt en het certificaat in de mailbox van de werkvoorbereider valt, begint de verificatie. Dit is de praktijkstap die in veel artikelen overgeslagen wordt, maar het is de stap die bepaalt of de certificering daadwerkelijk dekkend is.
Match het chargenummer op het certificaat met het chargenummer dat op de plaat of het profiel is gestempeld. Komen die niet overeen, dan dekt het document het materiaal in de werkplaats simpelweg niet. Bij grotere platen staat het stempel meestal op een hoek; bij profielen op de kop of langs de zijde. Bij doorsnijden of opdelen moet die markering doorgezet worden naar elk afgesneden stuk; daar komt het herwaarmerken straks bij.
Controleer de ondertekening. Bij 3.1 moet de ondertekenaar herkenbaar van een kwaliteitsafdeling van de producent zijn, niet van de productieafdeling. Bij 3.2 moet daarnaast de externe inspecteur of zijn vertegenwoordiger ondertekend hebben, met vermelding van het inspectiebureau (Lloyd’s, DNV, Bureau Veritas, ABS, TÜV). Mist die externe handtekening op een document dat als 3.2 verkocht is, dan is het in werkelijkheid hooguit een 3.1.
Controleer of de productnorm en kwaliteit op het certificaat exact overeenkomen met de bestelling, en of de gemeten mechanische eigenschappen voldoen aan de minimumwaarden die de productnorm voorschrijft. Een S355J2+N moet boven de 355 N/mm² rekgrens scoren; staat daar 348, dan is er iets mis met de batch of met het certificaat. De kerfslagwaarde, bij staal met -J2 of -K2 aanduiding voorgeschreven, moet ook expliciet vermeld zijn.
Bewaar het certificaat ten slotte in het projectdossier en koppel het aan de productie-administratie. Bij een latere claim, een inspectie of een audit is het projectdossier het enige dat de keten sluit van inkoop tot oplevering. De koppeling tussen werkordernummer, certificaatnummer en chargenummer is dan de rode draad.
Wat er met certificering gebeurt bij downstream-bewerking
Een gecertificeerde staalplaat verlaat het magazijn en gaat naar het volgende station. Op maat lasersnijden, walsen, zetten en uiteindelijk lassen: de plaat verandert van vorm en wordt opgedeeld in onderdelen. Wat gebeurt er ondertussen met de certificering?
Bij het opdelen van een gecertificeerde plaat moet de verwerker de chargenummer-markering doorzetten naar elk afgesneden stuk. In de praktijk heet dat overstempelen of herwaarmerken. Een plaat met chargenummer 12345 die in vier delen wordt gesneden, krijgt op elk deel hetzelfde nummer overgenomen, soms via stempel, soms via gravering, bij dunner plaatwerk via een blijvende markering die het verdere proces overleeft. Zonder deze stap is na het snijden niet meer aan te tonen welk stuk uit welke charge komt.
Gaat de markering verloren (bijvoorbeeld omdat een stuk in een ongemarkeerde restpartij belandt), dan kan dat onderdeel niet meer in een gecertificeerde constructie worden verwerkt. Op dat moment is de keten gebroken, en zelfs als het materiaal fysiek aan alle eisen voldoet, mist het de papieren traceerbaarheid die het certificaat juist moet leveren.
Voor producenten die de hele bewerkingsketen onder één dak doen is het herwaarmerken een werkproces dat zich in de productieflow inbedt. Bij Ferna gebeurt het snijden, walsen, zetten en lassen in eigen huis, zonder externe schakels die het materiaal tussentijds verwerken. Dat houdt de certificeringsketen in eigen beheer en voorkomt dat een onderdeel onderweg “anoniem” wordt. Bij gecertificeerde lasprocessen zoals orbital lassen is het materiaalcertificaat één laag in de bredere kwaliteitsdocumentatie, samen met de WPS (lasprocedure-kwalificatie) en de WPQ (lasserskwalificatie). Pas als die drie aansluiten, is de productie van A tot Z gedekt.
Beschikbaarheid van 3.1 voor verschillende staalsoorten
Wie 3.1 vraagt voor RVS-soorten zoals 304 en 316 krijgt het in de regel direct mee; bij vrijwel alle gangbare leveranciers wordt RVS standaard met 3.1 geleverd. De RVS-keten is wereldwijd ingericht op gecertificeerde levering, omdat de toepassingen (chemie, voedingsmiddelen, farma, drukvaten) het in de meeste gevallen nodig hebben.
Voor standaard constructiestaal ligt het complexer. S235JR, S355J2 of de oudere aanduidingen ST37 en ST52 zijn met 3.1 verkrijgbaar, maar 3.1 is bij deze materialen niet de default in de leveringsketen. Bij bestelling moet het expliciet aangevraagd worden, en de leverancier moet soms uit een specifieke smelt putten of een batch reserveren waarvoor de testresultaten beschikbaar zijn. Dat verlengt de levertijd, soms met enkele dagen, soms met weken, afhankelijk van de marktsituatie en de gevraagde hoeveelheid.
Voor verspaningsstaal, gereedschapsstaal en speciale staalsoorten is 3.1 projectafhankelijk. Soms tegen een meerprijs, soms met aanzienlijk langere levertijd, soms met de vraag of de afnemer kan accepteren dat het certificaat uit een eerdere productiebatch komt die qua eigenschappen identiek is.
Een goede leverancier benoemt deze beschikbaarheidskwesties vooraf. Welke staalsoort heb je nodig, welk certificaat hoort daarbij, hoe ziet de beschikbaarheid eruit binnen de projectplanning, en welke alternatieven liggen klaar als de eerste keus niet leverbaar is. Dat voorkomt dat een project drie weken wacht op een 3.1 die met een paar dagen overleg al onderweg had kunnen zijn.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een 2.2 en een 3.1 certificaat staal
Een 2.2 bevat testresultaten op representatief materiaal uit dezelfde productiestroom en wordt ondertekend door de producent zelf. Een 3.1 bevat testresultaten op het exact geleverde lot en wordt ondertekend door hiërarchisch onafhankelijk personeel, meestal de afdeling kwaliteitscontrole van de producent. Voor EN 1090-constructiewerk en de meeste kritische toepassingen is 3.1 vereist; voor reguliere niet-kritische staaltoepassingen volstaat 2.2.
Wat staat er precies op een 3.1 materiaalcertificaat
Een 3.1 vermeldt de chemische samenstelling per legeringselement, de mechanische eigenschappen (rekgrens, treksterkte, rekpercentage en bij toepassing kerfslagwaarde), het batch- of chargenummer, de productnorm met kwaliteit en de uitgifte-aanduiding EN 10204:2004. Het document is ondertekend door de hiërarchisch onafhankelijke kwaliteitsafdeling van de producent. Het chargenummer moet matchen met de stempelmarkering op het geleverde materiaal.
Wanneer is een 3.2 certificaat verplicht in plaats van 3.1
Een 3.2 is verplicht wanneer een externe partij (een classificatiebureau, een regelgever of de opdrachtgever) verificatie door een onafhankelijke inspecteur eist. Dit speelt standaard bij offshore-engineering, scheepsbouw onder klasseregels, drukvaten in de hogere PED-categorieën (III en IV) en in zware petrochemie-projecten. Voor reguliere staalconstructies onder EN 1090 volstaat 3.1.
Heeft Ferna materiaalcertificaten voor alle staalprojecten
Voor staalprojecten op maat levert Ferna standaard 3.1-gecertificeerd materiaal, met de certificering doorgezet via herwaarmerken naar elk afgewerkt onderdeel. Voor projecten waar 3.2 vereist is (denk aan offshore, scheepsbouw of zware drukvaten onder PED) werkt Ferna met externe inspectiebureaus zoals Lloyd’s Register en DNV om de externe verificatie op het certificaat te krijgen.
Hoe lang moet ik een materiaalcertificaat staal bewaren
Bewaar materiaalcertificaten minimaal voor de levensduur van het object plus de juridische bewaartermijn voor garantie- en aansprakelijkheidsclaims. In de praktijk komt dat voor dragende constructies en drukapparatuur neer op tien jaar of langer. Voor regelgevende inspecties (denk aan PED-keuringen of EN 1090-audits) is het materiaalcertificaat onderdeel van het verplichte projectdossier en moet het minstens zo lang beschikbaar blijven als de installatie in bedrijf is.
Wat als het chargenummer op het staal niet overeenkomt met het certificaat
Dan dekt het certificaat het materiaal niet, en kan het stuk niet worden gebruikt voor de toepassing waarvoor de certificering was vereist. Meld het direct bij de leverancier, vraag het juiste certificaat of een sluitende batch-koppeling op en zet het materiaal in quarantaine tot de traceerbaarheid is hersteld. Doorwerken zonder herstelde koppeling betekent dat de hele keten (van inkoop tot oplevering) niet sluitend te documenteren is.
Krijg vooraf zekerheid over het juiste certificaat voor je staalproject
EN 10204 onderscheidt vier types keuringsdocumenten. 2.1 is een verklaring van overeenstemming zonder testdata, 2.2 een keuringsrapport op representatief materiaal, 3.1 een keuringscertificaat met testresultaten op het geleverde lot door hiërarchisch onafhankelijk personeel, en 3.2 hetzelfde maar met een externe inspecteur erbij. Voor EN 1090-werk en de meeste kritische industriële toepassingen is 3.1 het werkende minimum; in offshore, scheepsbouw en de hogere PED-categorieën schuift dat door naar 3.2.
De correcte specificatie op de inkooporder (met productnorm, kwaliteit, certificaattype, stempelmarkering en leveringsmoment) bepaalt of het juiste certificaat überhaupt geleverd kan worden. Verificatie vóór productie (chargenummer matchen, ondertekening controleren, mechanische waarden vergelijken) en consistent herwaarmerken bij verwerking houden de keten daarna sluitend. De rode draad is helder: het juiste certificaat begint bij de juiste vraag op de inkooporder, niet bij het opvragen achteraf.
Twijfel je welk materiaalcertificaat (2.2, 3.1 of 3.2) past bij je staalproject, sector en specificaties? Neem contact op voor een vrijblijvend overleg waarin we samen het certificeringskader vaststellen (petrochemie, tankbouw, offshore of reguliere staalbouw) zodat het vóóraf klopt en niet achteraf gerepareerd hoeft te worden.